Tractor Iconen

Henry Ford

William Ford, Henry’s vader, was een arme Ierse pachter uit de buurt van Cork. Zoals vele van zijn landgenoten stak  hij ten tijde van de hongersnood in 1847 de oceaan over en vestigde zich in Dearborn, een dorpje 15 km ten Westen van Detroit. De grond was er goedkoop, maar van het landbouwwerk  kon je nauwelijks leven, waardoor William zich genoodzaakt zag aan de kost te komen als rondreizend timmerman. Hij hielp met het bouwen van de loodsen van de stations voor het oprukkend spoorwegennetwerk. 
William trouwde met Mary Litogot, de dochter van een andere Ierse boer uit Cork en in 1863 werd hun eerste kind geboren, Henry Ford. William bezat op dat moment zo’n 48 ha land. Bij de geboorte van haar achtste kind overleed Mary in het kraambed, Henry was toen nog geen 13 jaar oud. Hij zou haar zijn hele leven lang buitensporig vereren.
In zijn familie langs vaders kant daarentegen vertoonde hij geen enkele interesse. Hij vreesde dat  ze misschien een aandeel in zijn succes zouden opeisen. Vader Ford had als boer en timmerman immers een goed uitgeruste werkplaats opgebouwd, die de technisch onderlegde Henry uitermate inspireerde. Het jaar dat zijn moeder stierf had hij voor het eerst een voertuig gezien dat met stoom werd aangedreven, een locomobiel. Deze had op hem een onuitwisbare indruk nagelaten. Op zijn zestiende kreeg hij een baantje bij de firma Flower in Detroit, waar ze zowat alles maakten wat je van koper of ijzer kon vervaardigen. Ook de Schotse immigrant David Buick, van het automerk Buick, leerde hier het vak, voor hij zijn fortuin in auto’s stopte en bankroet ging.
In 1882 keerde Henry terug naar de ouderlijke boerderij in Dearborn, waar hij 9 jaar zou blijven. Hij werd demonstrateur en reparateur van stoomketels en stoommotoren. Van zijn vader kreeg hij 32ha onontgonnen bos. Hij bewerkte de grond, bouwde een huis en huwde op vijfentwintigjarige leeftijd met Clara Bryant.
In 1891 vond hij een job bij Edison Illuminating Company, waar hij het toezicht kreeg over de generatoren. In 1893 werd het enige kind van Clara en Henry geboren, hun zoon Edsel. Bij de bevalling liep er echter iets fout waardoor Clara geen kinderen meer kon krijgen.
In 1895 begon hij met enkele vrienden, op basis van de technische uitleg in één of ander tijdschrift, met het ontwerpen van een benzinemotor en op 16 juni 1896 kon hij een eerste tocht maken met zijn eerste wagentje, Quadricycle geheten. Op het eerste zicht leek het op 2 fietsen die met elkaar verbonden waren, maar het ding haalde wel 30 km/u, wat razendsnel was voor die tijd.
Henry bleef bij Edison werken, maar ondertussen slaagde hij er toch elk jaar in met een verbeterd model voor de dag te komen. Geldschieters kregen er lucht van en in 1899 werd de Detroit Automobile Company opgericht. Wat er juist fout ging is niet duidelijk maar Henry verwaarloosde zijn werk en in 1900 ging de zaak failliet. Vervolgens vervaardigde Henry, samen met Harold Wills, een jonge monteur, een race-auto, waarmee hijzelf als coureur voor het oog van 8 000 toeschouwers autobouwer en racekampioen Alexander Winton versloeg. Nieuwe geldschieters meldden zich en nog geen maand later was de Henry Ford Company een feit. Op onbegrijpelijke wijze herhaalde het vorige scenario zich en 4 maand later stond Henry weer op straat.
Ford bleef echter succes hebben in de racerij, met onder andere de “999” en met de hulp van twaalf nieuwe geldschieters ontstond in 1903 de Ford Motor Company. De eerste jaren was de firma alleen maar een assemblagebedrijf dat in 1907 al meer dan 8 000 auto’s verkocht. Ford droomde van  een auto voor iedereen - hij haatte het dat alleen rijkelui zich een auto konden veroorloven - maar die moest dan goedkoop zijn en dus op grote schaal geproduceerd kunnen worden. Het Ford model T kwam begin oktober 1908 op de markt, geavanceerd, betrouwbaar en de vier cilinders in één blok gegoten. Binnen de kortste keren gingen er 10 000 de deur uit. Hij was alleen in het zwart te verkrijgen omdat zwarte verf het snelst droogde.
Helemaal bekend werd Ford door zijn juridische veldslag tegen George Selden, die reeds vroeg een octrooi had genomen op een voertuigje dat nooit geproduceerd was. Op basis van dit octrooi moesten alle autobouwers licentierechten betalen, maar Ford, de koppige boer, streed eenzaam verder door alle niveaus van het juridische systeem en won het geschil uiteindelijk in 1911.
In 1913 werd de lopende band geïntroduceerd, waardoor het aantal manuren nodig voor de assemblage van een auto aanzienlijk verminderde. Op 1 januari 1914, verdubbelde Ford het dagloon van 2,5 dollar tot 5 dollar en schakelde over van twee ploegen van 10 uur naar drie  ploegen van 8 uur. Dag en nacht rolden er nu auto’s uit de fabrieken van Highland Park. Door de grotere productie kon de prijs van de Ford T opnieuw naar omlaag en door hun grotere koopkracht konden nu ook de arbeiders zich een Ford T aanschaffen. Niettegenstaande hij de held werd van de kleine man, was werken bij Ford een hondenkarwei. De snelheid van de lopende banden werd alsmaar opgedreven en eind 1914 bleek dat nog maar 29% van de Fordarbeiders in Amerika was geboren.
In 1915 produceerde Ford 390 000 auto’s hetgeen overeenkwam met de helft van alle auto’s die in de VS waren gebouwd. Het maakte hem in korte tijd buitensporig rijk. Dat jaar haalde hij ook zijn enige zoon Edsel, toen 22 jaar oud, binnen in zijn bedrijf en bouwde hij zijn eerste tractor. In 1916 werden hiervan de eerste prototypes getest. Tegelijkertijd schakelde Ford over van de productie van auto’s op de productie van oorlogsmateriaal, helmen, gasmaskers, vliegtuigmotoren en tractoren.
Ook de Fordson Model F tractor ging in productie. Het werd een vier-cylinder met drie versnellingen. De verkoopprijs bedroeg ongeveer 750 dollar, veel duurder dan voorzien, maar door de goede naam van zijn Model T auto werd de verkoop toch een succes.
De reden dat Ford zijn tractoren niet onder de naam Ford kon uitbrengen lag in het feit dat de plannen voor het bouwen van een Ford tractor vroegtijdig uitgelekt waren waardoor een bedrijf in Minneapolis, dat wilde profiteren van Fords succes, de Ford Tractor Company (genoemd naar een van zijn machinebouwers) oprichtte. Dit zorgde ervoor dat Ford zijn eigen naam niet meer kon gebruiken voor zijn tractoren. Hij koos dan maar voor “Henry Ford and Son”, afgekort “Fordson” .
Ford slaagde er ook in een nieuwe fabriek van 3,5 miljoen dollar te laten bouwen op kosten van de staat voor de productie van schepen voor de Amerikaanse marine.    
Daarnaast kocht hij ook The Dearborn Independent, een krant waarin hij het alcoholgebruik, het grootkapitalisme en vooral het “Joodse gevaar” begon te bestrijden. Joden waren volgens Ford nietsnutten, maar zwarten waren goede werkkrachten. Hij nam dan ook op grote schaal zwarten in dienst, die in de staalgieterij, het atelier met de zwaarste arbeid, werden tewerkgesteld. 
In 1918 bedroeg de jaarlijkse productie van de Model F tractor zo’n 35 000 exemplaren. Een jaar later, in 1919, verhuisde een deel van de productie van de Fordson tractor naar Cork in Ierland.
Op 5 januari 1920 bleef de fabriek in Dearborn zonder enige toelichting dicht. Het bedrijf zat in de schulden en leverde ongevraagd zijn complete stock van tienduizenden auto’s aan de zesduizend dealers die meteen contant moesten betalen. Na de oudejaarsstop van 1920 nam hij maar 20 000 van de 70 000 werknemers terug in dienst. Ondanks dit alles steeg de productie van auto’s in de jaren 1921-1922 tot tegen het miljoen.
Begin 1922 zette hij zijn antisemitisch geraaskal even stop omdat hij een gooi wilde doen naar het presidentschap. Ter ondersteuning hiervan bracht hij  zijn boek “ My Life and Work” uit. Ondertussen kwamen de grootste autobouwers ter wereld waaronder Louis Renault, Andre Citroën, de gebroeders Von Opel, vader en zoon Porsche en zelf Seikichi Toyoda uit Japan, bij hem een kijkje nemen om met eigen ogen te zien hoe hij de lopende band had georganiseerd.
Zoon Edsel samen met de complete top van het bedrijf vonden in het begin van de jaren twintig dat de tijd rijp was om een nieuwe auto te ontwerpen, maar daar was Ford niet in geïnteresseerd. Hierop stapte een groot aantal topmensen op en toen ook de verkoop ineenstortte, gooide Ford in mei 1927 zijn fabriek dicht. 60 000 arbeiders stonden op straat.   Het zou ruim een jaar duren vooraleer een nieuwe auto, de Ford A, massaal kon worden geproduceerd. Eind de jaren 20 ging het zo slecht met de Amerikaanse economie dat Ford het aantal werknemers halveerde en de lonen naar omlaag schroefde. Bij een protestmars die hierop volgde schoot de politie vier mannen dood, vijtienduizend rouwenden trokken een paar dagen later door de straten van Detroit. Wie door de Ford-spionnen gezien werd kreeg zijn werk niet terug. Werken voor Ford was een ware hel geworden: de werkdruk was hoog, de sfeer slecht, dienstjaren betekenden niks en wie er wat ouder uitzag was afgeschreven. 
In 1929 werd de hele productie van tractoren overgeplaatst naar Ierland en vervolgens in 1933 naar Dagenham in Engeland.
Eind de jaren ‘30, had Henry Ford Harry Bennet als rechterhand naar voor geschoven, die een waar schrikbewind invoerde. Knokploegen van Ford/Bennett grepen in op vakbondsbijeenkomsten. Ze sloegen vakbondsadvocaten in elkaar en lieten ze voor dood achter. Tussen 1937 en 1941 bestond er ook een hechte samenwerking tussen de Ford Motor Company en de georganiseerde misdaad. De maffia floreerde niet alleen in Chicago, maar ook in Detroit waar bv. de Purple Gang de zeer begeerde licenties in handen kreeg om Fords te verkopen.
Ter gelegenheid van zijn 75ste verjaardag werd Henry in 1938 door zijn bewonderaar Hitler geëerd met de hoogste onderscheiding, het groot kruis van de Duitse adelaar.    
Om de negatieve reacties hierop het hoofd te bieden, sloot hij met de UAW (United Automobile Workers of America) een akkoord dat voor de vakbond extreem gunstig was. De echte reden was echter dat door de tweede wereldoorlog, de oorlogscontracten eraan kwamen en de overheid kon geen opdrachten geven aan een bedrijf dat deels door de maffia geleid werd en de vakbondsrechten niet erkende.
In diezelfde jaren werd de door Harry Ferguson ontworpen driepuntsophanging geïntroduceerd. In 1938 demonstreerde Harry Ferguson zijn systeem aan Ford. Hij had uit Engeland één van zijn Model A tractoren en wat werktuigen meegenomen. Ford bracht ter vergelijking een Fordson Model N en een Allis-Chalmers Model B mee. De Model A troefde met gemak zijn rivalen af en op het einde van de ontmoeting sloten ze een mondelinge overeenkomst om een nieuwe tractor met het Ferguson-systeem te ontwikkelen. Dit systeem werd nog geen acht maanden later gemonteerd op een prototype van het Model 9N.
In 1939 ging dit Model 9N (Ford tractor met Ferguson-systeem) in productie, hetgeen voor een ware revolutie zorgde in landbouwkringen. De nieuwe tractor had een Ford zijkleppenmotor van 23pk, een drie versnellingsbak en een topsnelheid van 9,6km/u. Tussen 1939 en 1942 werden een kleine 100 000 9N tractoren gebouwd.
Het model 9N zou één van de laatste mijlpalen uit Fords leven op het gebied van landbouwtechnologie worden. Nadat zijn zoon Edsel op 26 mei 1943 stierf aan een ongeneeslijke maagtumor, werd Harry Bennett voorgesteld als de nieuwe president van de Ford Motor Company. Bennett had half politiek Michigan in zijn zak en een groot deel van de Detroitse gangsters waren zijn vrienden. Washington maakte zich zorgen en suggereerde discreet dat Henry Ford II, Edsels oudste zoon, 26 jaar oud, het roer zou overnemen. Eleanor, Edsels weduwe en Clara, Henry Fords vrouw, smeedden een complot dat ertoe leidde dat Henry II president werd en Bennett kon opstappen.
Henry II trok een stel jonge competente managers aan en de zieltogende Ford Motor Company kon aan zijn heropbouw beginnen. Henry II zou aan het roer staan van de firma tot in 1979.
In 1945 werd het bedrijf wederom geconfronteerd met snel oplopende verliezen waardoor ingrijpende maatregelen nodig waren om de zaak te redden. Eén daarvan was het beëindigen van de overeenkomst tussen Henry Ford en Harry Ferguson. Onder dat akkoord waren de modellen 9N en 2N geproduceerd met het hydraulische Ferguson-systeem. Ze werden gebouwd door Ford, maar verkocht door een firma onder leiding van Harry Ferguson. Aangezien de tractorproductie binnen het bedrijf één van de probleemgebieden was, werd besloten dat Ford na een opzegtermijn van 6 maand geen tractoren meer zou leveren aan Fergusons firma en dat de modellen 9N en 2N zouden worden vervangen door een nieuw model. Hierop stapte Ferguson naar de rechter en klaagde Ford aan wegens schending van patenten. Ford verloor de zaak en Ferguson kreeg 10 miljoen dollar schadevergoeding. Na deze rechtzaak werd gestart met de productie van een nieuw model, de 8N , die op de markt kwam amper een paar maanden na Henry Ford’s dood. Het zou één van de grootste succesverhalen uit de tractorgeschiedenis worden met in 1948 en 1949 een productie van meer dan 100 000 tractoren per jaar.

Henry Ford stierf op 7 april 1947 in zijn luxueuze landhuis in Dearborn. Tijdens zijn leven produceerde zijn bedrijf 1,5 miljoen tractoren. Henry Ford heeft een enorme invloed gehad op de ontwikkeling van de moderne landbouw en gaat de geschiedenis in als een pionier op het vlak van massa- en lopende band productie.

Bron: Het paard van Ferrari en andere auto-biografieën.
Lieven De Croo

Gerelateerd

Delen

  • Recent
  • Populair
  • Tag