Tractoren Geschiedenis

Allgaier succestrekker met dank aan Porsche

De Allgaier Werkzeugbau GmbH werd in 1906 opgericht door Georg Allgaier en was in de eerste plaats een werkplaats waar vooral pers- en stanswerk werd gemaakt voor derden. Het bedrijf specialiseerde zich later ook als toeleverancier van carrosserieonderdelen voor de automobielindustrie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het bedrijf, zoals veel andere goed uitgeruste bedrijven, ingeschakeld in de oorlogsindustrie voor de productie van o.a. munitiekisten en bommen. Daarvoor werd hen bij het einde van de oorlog de rekening gepresenteerd en stond het bedrijf op de zwarte lijst van de Amerikanen. De fabriek werd echter niet ontmanteld zodat al in de herfst van 1945 consumentenproducten zoals strijkijzers, kachels en zelfs mestpompen konden geproduceerd worden. In datzelfde jaar begon Allgaier ook aan de ontwikkeling van een landbouwtrekker in samenwerking met motorenfabrikant Kaelble. Beide kleine familiebedrijven waren via huwelijk aan elkaar verwant, zoon Erwin Allgaier was namelijk getrouwd met een dochter van Carl Kaelble. Kaelble had heel wat ervaring op dat gebied. Het bedrijf bouwde al begin jaren dertig voor zijn tijd moderne trekkers die uitgerust waren met eigen twee- en driecilinder dieselmotoren. De typen Z 2 A en Z 3 A waren bekende voorbeelden daarvan.

 

Eerste trekkers vanaf 1946

De eerste Allgaier trekker, de R 18 met de “R” van robuust, werd in 1946 gebouwd en in eerste instantie ook als ‘Kaelble Bauernschlepper’ verkocht. Dat kon moeilijk anders want alleen de bedrijven die reeds voor de oorlog trekkers hadden gebouwd, kregen van de bezettingsmacht (in dit geval de Amerikanen) de toestemming om de naoorlogse productie opnieuw op te starten. Kaelble voldeed aan die vereisten en zo kon Allgaier het verbod omzeilen.

De R 18 was uitgerust met een door Kaelble ontwikkelde eencilinder viertakt dieselmotor met verdampingskoeling (verbruik 13 liter water per uur) en een vermogen van 18 pk. Er lagen drie V-snaren tussen de krukas van de motor en het drijfwerk, deze zorgden voor de krachtoverbrenging. De serieproductie begon pas in 1948. Opvallend bij de R 18 waren de hoekige koelwatertank (waarop oorspronkelijk het Kaelble logo en niet het Allgaier logo was aangebracht) en de motor die ‘open en bloot’ op het stalen chassis waren gemonteerd. De R 18 werd snel populair bij de kleine boeren want begin 1950 liep de duizendste trekker al van de band. Op vraag van de klanten voor meer vermogen werd in 1949 de R 22 uitgebracht met een vermogen van 22 pk. In feite onderscheidde deze trekker zich weinig van het kleinere type want ook deze werd zonder plaatstalen bekleding en zonder elektrische starter geleverd. Om de trekkers een moderner en meer gestroomlijnd uiterlijk te geven werd tegen meerprijs een plaatstalen bekleding ter beschikking gesteld. Deze “aankleding” bestond uit vijf delen, te weten twee zijplaten, een voorkap met verticale spijlen die geopend kon worden, een zijlings opklapbare motorkap en een instrumentenbord. Anders dan bij de later geproduceerde modellen met bekleding was bij dit type motorkap de koelwaterpijp volledig weggestopt onder het plaatwerk, bij de latere modellen was in de motorkap een opening voor de koelwaterpijp uitgespaard. De typen R 22/ A 22 waren de eerste “aangeklede” trekkers met motorkap die in 1950 werden geproduceerd. Ook zij haalden in het begin behoorlijke verkoopcijfers maar na een korte “boom” begon de verkoop te slabakken. Alle aandacht ging daarom maar naar de ontwikkeling van de A 24 die in 1952 werd geïntroduceerd, en tevens het einde betekende van de trekkers met verdampingskoeling. Deze A 24 was de wat grotere broer van de A 22 maar technisch niet zoveel verschillend. Wel was de motor uitgeboord waardoor het vermogen tot 24 pk werd opgedreven. Het grote verschil t.o.v. de andere trekkers, was dat bij deze A 24 overgestapt werd op condensatiekoeling (thermosifon), toch kon ook deze trekker het niet waarmaken. Van de R 18, R 22 en A 22 werden in totaal 15.000 stuks gebouwd, de A 24 bleef steken op een povere 1250 stuks. In 1950 waagde Allgaier met de A 40 ook de stap naar de zwaardere akkerbouwtrekkers om concurrenten zoals Deutz en Lanz de pas af te snijden. Deze A 40 had een dragende tweecilinder dieselmotor van eigen fabrikaat en een vermogen van 40 pk. De transmissie werd ontwikkeld door Erwin Peucker, de fabrikant van de Normag trekkers.

De inbreng van Porsche

Een mijlpaal in de geschiedenis van Allgaier was de samenwerking vanaf 1949 met Porsche. Over de persoon Porsche kan je zonder overdrijven een lijvig boek schrijven, wij moeten ons hier beperken tot enkele lijnen! Ferdinand Porsche werd geboren in Maffersdorf in Bohemen (nu Vrativlice in het huidige Tsjechië). Porsche was een zeer begaafd persoon maar had een broertje dood aan studeren!

Op 18-jarige leeftijd, na zijn basisschool, begint hij als leerling-monteur bij Béla Egger (het latere Brown Boveri) waar hij een wielnaafelektromotor ontwikkelt en er een octrooi op neemt. In 1899 gaat hij naar Lohner-Werke in Wenen waar hij de Lohner-Porsche ontwikkelt, het eerste hybride en vierwielaangedreven voertuig ter wereld. In 1906 doet hij de overstap naar Austro-Daimler waar hij verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van vliegmotoren, personen- en sportwagens. Vanaf 1923 werkt hij bij Daimler-Motoren-Gesellschaft als hoofd van het ontwerpbureau. In december 1930 houdt hij het ook daar voor bekeken en richt in Stuttgart zijn eigen studiebureau op. Daar werkt hij tegelijkertijd aan de ontwikkeling van de “Volksschlepper” en de “Volkswagen”. Beide opdrachten zouden van Adolf Hitler himself gekomen zijn. Hoewel Porsche geen fanatiek aanhanger was van Hitler werd hij toch lid van de Duitse NSDAP (nazipartij) en in 1942 zelfs van de SS. Een nazi-uniform heeft hij echter nooit gedragen. Na de capitulatie in 1945 vonden de geallieerden zijn bijdrage en steun aan het naziregime voldoende bewezen om hem een aantal maanden op te sluiten in de gevangenis. Tussen 1937 en 1939 bouwt Porsche enkele prototypen van de “110” en “111”, twee door hem ontwikkelde modellen van de “Volksschlepper”. Deze prototypen waren uitgerust met een luchtgekoelde 2-cilinder benzinemotor met een vermogen van 12 pk (de Porsche luchtgekoelde dieselmotor was nog niet productierijp op dat moment). Kenmerkend aan de tractoren was de (hydraulische) oliekoppeling tussen de motor en de transmissie die later ook op de Porsche trekkers weerhouden werd. Door het uitbreken van de oorlog gingen deze “Volksschlepper” nooit in productie. Tegen de uitgevaardigde orders in bleef men bij Porsche wel nieuwe modellen ontwikkelen zoals o.a. de 112 en 113 die met een luchtgekoelde dieselmotor waren uitgerust. Een voorserie zou in Italië bij OM in Brescia geproduceerd worden (trekker- en vrachtwagenfabrikant OM was een “filiaal” van Fiat S.p.A sedert 1933). Zover kwam het niet want de fabriek, waar alle onderdelen al klaarstonden, werd in 1944 door de geallieerden platgebombardeerd. Kort na het einde van de oorlog, het ontwerpbureau was ondertussen overgebracht naar Gmund in Karinthië (Oostenrijk), ontwerpt Porsche een lichte borentrekker model “313”. Twee bedrijven kregen van Porsche de toestemming om deze trekker in licentie te bouwen namelijk de Oostenrijkse onderneming Hofherr-Schrantz en het Duitse Allgaier. Bij Allgaier ging de eerste versie van de trekker in 1950 in productie onder de naam AP 17 (Allgaier System Porsche). Hij was uitgerust met een luchtgekoelde tweecilinder Porsche dieselmotor met een vermogen van 18 pk en een transmissie met vijf versnellingen. Portaalassen voor- en achter zorgden voor een grote bodemvrijheid. De trekker werd gebouwd in een nieuwe hal van de voormalige Dornier vliegtuigfabriek in Friedrichshafen. Tijdens de eerste week van zijn introductie werden er 5.000 stuks verkocht! De in 1952 geïntroduceerde A 111 en A 133 modellen kenden een nog groter succes. Ook deze kwamen van de tekentafel van Porsche. De A 111 was uitgerust met een luchtgekoelde ééncilinder dieselmotor van 12 pk, de A 133 had een driecilindermotor van 33 pk. Het zwaarste model van Allgaier, de A 144 werd in 1954 geïntroduceerd. Deze trekker was uitgerust met een viercilinder viertaktdieselmotor met een vermogen van 44 pk en een ZF-transmissie met vijf versnellingen. De vraag naar Allgaier-Porsche trekkers werd echter zo groot dat de productiecapaciteit in 1954 overschreden werd. Allgaier zag echter op tegen de hoge kosten die een capaciteitsuitbreiding met zich meebracht. In december 1955 werd de trekkerproductie gestaakt en verkocht aan het Mannesmann concern die daarvoor ‘Porsche-Diesel-Motorenbau’ hadden opgericht. Allgaier concentreerde zich vanaf dan weer volledig op de machinebouw voor de auto industrie. In totaal werden door Allgaier ongeveer 50.000 trekkers gebouwd waarvan 10.000 onder eigen merknaam. Porsche-Diesel-Motorenbau heeft in Friedrichshafen tussen 1956 en 1963 nog tientallen

verschillende modellen tractoren gebouwd. Na het beëindigen van de trekkerproductie werden de bedrijfsgebouwen door Mannesmann verkocht aan de Motoren und -Türbinen Union (MTU).

De bij dit artikel afgebeelde Allgaier A 24, eigendom van Ad Verbeek uit Etten-Leur. Hij kocht de trekker enkele jaren geleden van een voormalig loonwerker uit Ede. Aan de A 24 trekker had hij namelijk goede jeugdherinneringen overgehouden. Midden jaren vijftig was op de ouderlijke boerderij in Baarle-Nassau net dezelfde trekker in gebruik. Daar werd hij voor allerlei werkzaamheden ingezet met als hoofdtaak de dagdagelijkse collectieve melktoer. Voor de overige werkzaamheden werd later een Allgaier A 22 aangekocht. “Waar beide trekkers nadien terechtgekomen zijn heb ik nooit kunnen achterhalen, ik was dan ook echt in mijn schik toen ik deze A 24 op de kop wist te tikken”, vertelde Ad. Volgens de papieren werd de A 24 in 1952 gebouwd en in 1999 nog technische gekeurd. “Hoogstwaarschijnlijk is mijn trekker jarenlang in gebruik geweest bij een keuterboertje ergens in Duitsland. Het plaatwerk was in niet al te beste staat en ook op technisch vlak had de trekker heel wat geleden maar gelukkig was hij wel compleet” wist Ad ons ook nog te vertellen. Eenmaal thuis werd de A 24 volledig ontmanteld, de transmissie uit elkaar gehaald, het koelsysteem in orde gebracht en de motor gereviseerd. Als ‘finishing touch” werd de trekker in zijn oorspronkelijke kleuren herspoten. Nu staat hij regelmatig te pronken op bekende oldtimershows in zowel binnen- als buitenland.

Uilteg bij foto's

De R 18 van Allgaier in al zijn eenvoud bestond uit niet meer dan een geperst stalen chassis waarop een door ingenieur Paul Strohhäcker ontwikkelde liggende Kaelble eencilinderdieselmotor met verdampingskoeling was geplaatst. Aan de rechter kant zat een riemschijf voor stationaire aandrijving, aan de linkerzijde drie V-snaren voor de krachtoverbrenging (aandrijving).

In 1950 kwam de A 22 op de markt, de eerste

“aangeklede” Allgaier trekker. Technisch was hij identiek aan de R 22.

In 1951 werd met de A 12 opnieuw een lichter model geïntroduceerd. De trekker was uitgerust met een Kaelble eencilindermotor, de eerste met thermosifonkoeling en een vermogen van 12 pk.

In 1949 verwierf Allgaier de productierechten voor de “Volksschlepper”een door Porsche ontwikkelde trekker. Deze AP17 (Allgaier systeem Porsche) was uitgerust met een luchtgekoelde Porsche tweecilindermotor met een vermogen van 18 pk. Een moderne trekker met o.a. hydraulische oliekoppeling tussen motor en transmissie, pendelas met telescoopvering vooraan, portaalas achter en hydraulische hef.

De AP 16 met luchtgekoelde tweecilindermotor met een vermogen van 16 pk werd in 1954 geïntroduceerd. Hij verving de watergekoelde eencilinder A 16 uit 1952.

De A 312 (type AP 25) werd speciaal ontwikkeld om ingezet te worden in sinaasappel- en koffieplantages in exotische landen. De trekker was uitgerust met een luchtgekoelde tweecilinder benzinemotor met een vermogen van 25 / 30 pk. Van deze trekker werden er amper 300 exemplaren gebouwd.

De A 111 was het kleinste model van een serie van vier trekkers. De luchtgekoelde motoren waren in samenwerking met Porsche ontwikkeld. De eencilindermotor van de A 111 had een vermogen van 12 pk en een 4V/4A transmissie.

Ferdinand Porsche kreeg van Hitler de opdracht een ‘Volksschlepper’ een goedkoper en eenvoudige trekker voor het volk te ontwikkelen. Er werden tussen 1937-1939 verschillende modellen gemaakt, deze afbeelding toont prototype 110 met taps toelopende voorkant en de bestuurdersstoel in het midden achter de vooras. De luchtgekoelde 2-cilinder benzinemotor van 12 pk werd gestart met een lange zwengel aan de voorzijde van de trekker. De trekker had een 3V/1A transmissie.

Het prototype 111 werd al op een paar punten verbeterd. Deze trekker met centraal buischassis was uitgerust met o.a. maaiaandrijving, aftaktas en riemschijf. De trekker is hier uitgerust met een tweescharige ploeg.

 

Gerelateerd

Tags

Delen

  • Recent
  • Populair
  • Tag
  • Allgaier succestrekker met dank aan Porsche

    De Allgaier Werkzeugbau GmbH werd in 1906 opgericht door Georg Allgaier en was in de eerste plaats een werkplaats waar vooral pers- en stanswerk werd gemaakt voor derden. Het bedrijf specialiseerde zi...
  • De eerste trekker van Lanz

    De firma Heinrich Lanz uit Mannheim is zonder twijfel één van de grootste Duitse pioniers op het gebied van de landbouwmachine- en trekkerindustrie. De oorsprong van het bedrijf gaat ter...
  • Lely, de trekker van de toekomst

    Met deze bewering in de eerste door hun uitgegeven folder van de in 1970 geïntroduceerde Lely Hydro 90, maakte landbouwmachinefabrikant Lely uit het Hollandse Maasland duidelijk dat ze een comple...
  • Trattorini Lugli

    Trattorini Lugli,  een  strijd van David tegen Goliath De Verenigde Staten zijn de bakermat van de tractor. Toch mogen we ook de invloed van de Europese fabrikanten  niet onderschatt...